Waarom ik een hekel heb aan telefoneren (Lang!)

Weet je*) nog dat ik zou uitleggen dat ik een verschrikkelijke hekel aan telefoneren heb? Dat daar een verhaal achter zat dat ik nog zou vertellen?

Thuis heb ik een verschrikkelijke hekel aan de telefoon. Niet aan het ding zelf, ik ben jarenlang telefoniste/secretaresse geweest en daar is de telefoon een essentieel stukje gereedschap. Lees verder

Een merkwaardig telefoongesprek, midden in de nacht

Jarenlang woonde ik in Lunteren. Ik was daar samen met Ivon en Wendy vanuit Barneveld per ongeluk terecht gekomen. We hadden de beneden verdieping van een boerderij. Wendy de sjieke voorkamer, Ivon de voorkamer bij de keuken en ik had de opkamer. 

Ceciel woonde ± 10 km verderop in Ede, aan het andere eind van de Hessenweg. Een mooie route dwars door het Lunterse buurtbos. Vlak voor het bos veranderde de asfalt weg zelfs in een romantische zandweg.

 Zij had een auto, een witte opel meen ik me vaag te herinneren. Na een avond gezellig kleppen gingen zij en hond Caz weer naar Ede. “Het rode lichtje van de benzine tank knippert maar die gaat veel te vroeg knipperen. Ik denk dat ik nu nog makkelijk dertig kilometer kan rijden!” vertrouwde ze me toe.

Ik reed geen auto, dus ik nam het voor kennisgeving aan. Ceciel had haar zaakjes in regel goed voor elkaar.  Wij gingen naar bed. Had ik er een voorgevoel van of zo, ik weet het niet meer maar zonder er echt een reden voor te hebben zette ik de telefoon met het verlengsnoer (dit was in 1983) naast mijn bed. Het was laat, ik sliep snel. Een uur later of zo, telefoon. Voor mijn gevoel midden in de nacht, wie kon dat zijn? Paul mijn vriend lag naast me in bed, wie kon er nog meer zo laat bellen….. 

“Catharina?” vroeg ik verbaasd en ongerust. Ik kreeg antwoord van een opgewekte stem, het kon dus niet over iets naars gaan…

“Met Pieter Jongerius. U kent mij niet, maar dat zit zo…..” En hij legde uit dat hij midden in het bos vlakbij de Hessenweg woonde. Daar had hij een auto aangetroffen die door benzinegebrek niet meer verder kon rijden. Een zekere Ceciel, kende ik die? Had hem gevraagd dit telefoonnummer te bellen…….

Ceciel wist dat Paul altijd een reserve jerrycan met 5 liter benzine bij zich had. Of we haar kwamen redden, ja natuurlijk lieten we haar daar niet in het bos staan. Haastig trokken we wat extra kleren aan en reden we naar het bos, inmiddels proestend van leedvermaak. En ja hoor, op het donkerste stuk van de weg, echt midden in het bos stond de witte opel. Toen ze de besteleend van Paul herkende kon zij ook weer lachen. Meer dan een uur geleden had de auto even geprutteld en was toen hopeloos stil gevallen. Stond ze daar midden in het donkere bos op zaterdagavond laat. Het had nog even geduurd voor er iemand langs kwam rijden en ze haar moed voldoende bij elkaar geraapt had om een andere auto aan te houden.

Nooit meer ging ze op stap zonder een reserve jerrycan met benzine. Oja en die heerlijk grote hond van haar daar had ze in het donkere bos ook niks aan. Nog banger dan zij was hij geweest.  

Haal een kat uit het asiel

1981 – Ik woon op kamers in Barneveld. Opleiding dierverzorging dus ik wil mijn eigen huisdier: een kat. Liever geen jong klein onopgevoed ding dat mijn kamer afbreekt als ik niet thuis ben. Ik maak een afspraak met het de beheerster van het dichtbijzijnde asiel in Voorthuizen en samen met een vriendin fiets ik er heen. Zonder al te veel poespas brengt de beheerster ons naar het hok waar erg veel poezen verblijven en ik pak de eerste de beste theemuts op. En de lieverd vouwt gelijk zijn pootjes om mijn nek zoals hij dat op de foto hierboven ook doet. Ik was verkocht.

Deze theemuts was nog niet lang een asielkat en had nog geen naam. Ik noem hem Gijsbrecht.
Hij went supersnel, binnen korte tijd is het net alsof hij er altijd al was. Na een paar weken moet ik op stage in Groningen. Een klasgenoot zal die week voor hem zorgen en ik lever hem bij haar af. Ze woont in een bovenwoning waar meneer gelijk de eerste dag via het balkon naar beneden springt en terugloopt naar het huis waar ik een kamer heb. Hij is slim en hongerig genoeg om zich gelijk bij de huisbaas te melden. De rest van de week hebben ze (mijn huisbaas at vlees en Gijsbrecht kreeg ook wat natuurlijk) het heel gezellig samen. Als ik terug kom is de huisbaas alleen een tikje teleurgesteld, 

“Waarom dat ik dat niet gelijk aan hem gevraagd had?”

 + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + +

 

1981 – Ik liep stage bij TNO in Zeist. Om daar te komen moest ik met 2 treinen en een bus. Eerst naar het station aan de andere kant van het dorp fietsen, dan de trein van Barneveld Centrum naar Ede-Wageningen. Daar verder met de trein naar Driebergen-Zeist en dan nog de bus naar Zeist. GZD stopte die voor de ingang. ’s Morgens vroeg was het een naadloze aansluiting. Ik zat half slapend in de treinen, probeerde inde bus mijn ogen open te houden en elke dag klokte ik om 8:00 in de centrale hal. Terug naar huis was moeizamer. Zo goed als het ze aan het begin op elkaar aansluiten zo slecht was het op de terugweg. Overal, op het station van Driebergen-Zeist èn op Ede-Wageningen zat ik minimaal een half uur te wachten. Soms een uur aangezien de laatste trein een uurverbinding was. Dikke boeken zaten er in mijn tas en ik las er heel wat uit. Oa Jane Eyre.

Ik had een mooie grote kamer en ik had met Ivon en Paul, 2 studiegenoten die op dezelfde dag, 26 mei jarig waren, afgesproken dat ze hun verjaardag op mijn kamer mochten vieren. Uitgerekend die dag kwam ik helemaal uitgewoond thuis. Feestjes betekenden in die tijd doorgaan tot zeker 2:00 ’s nachts. Ik zag mijn bed en lag al snel te slapen. Gijsbrecht, de cypers witte je-weet-wel-kater zag toen zijn kans om er lekker bij te kruipen. Vagelijk hoorde ik Ivon binnen komen. Ze had een sleutel en kwam vast wat feestartikelen brengen.
“Waar is je fototoestel?” vroeg ze. 

 “Op de tafel, waarom?” mompelde ik. 

 “O zomaar…….”  Pas toen ik de afgedrukte foto’s bij de Hema ophaalde zag ik wat ze gedaan had.

Foto: I. van Nieuwenhuizen (met mijn camera)

+ + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + +

Eerst was hij dus mijn kat alleen.
1983 – Krijg ik een relatie met Paul en hij neemt een hond, Max. Ik verhuis van Barneveld naar het buitengebied van Lunteren. Gaat allemaal goed.
1984 – Koop ik  een woonwagen en een paardje voor voor de wagen, Zodielia
1985 – Gaan we op reis met paard en woonwagen. Hond Max gaat mee, Gijsbrecht blijft samen met mijn onderhuurder in het huisje in Lunteren wonen.
Eind oktober krijg ik Poste Restante Dijon In Frankrijk nog een brief van Bertje de onderhuurder.
“Met Gijsbrecht gaat het heel goed. Hij sprint/springt nog steeds in 2 seconden van de keuken door de gang op je schoot. Nietsvermoedende  gasten schrikken er nog wel eens van.”

1986 – komen we weer thuis in Lunteren

Voor Gijsbrecht gaat de overgang van het leven met een kamerbewoonster naar een compleet gezinsleven met hond en baby naadloos. Als hij zijn aandacht maar krijgt.

(Foto: Paul Keulen)

Jos en Gijsbrecht kunnen het prima vinden. Soms iets te goed,

 

1988 – Ben ik weer zwanger en in oktober wordt mijn 2e zoon, Tas  geboren. Hans, een bevriende kunstenaar ontwerpt een kaartje.
(ontwerp kaartje: Hans Vogt)
Van links naar rechts: Max, mijn oudste zoon Jos en Gijsbrecht. In oktober
Ook mijn tweede zoon is dol op onze je-weet-wel-kater.
Jarenlang is hij een vanzelfsprekende factor binnen mijn gezin. Mijn relatie loopt op de klippen, hond word doodgereden, maar Gijsbrecht blijft. Op een dag merk ik dat hij achteruit gaat. Hij rent niet meer, en springt niet meer via het slaapkamer raam van de begane naar binnen of naar buiten. Pas na een tijdje ontdek ik wat er met aan de hand is. Als ik de kamer voor hem open doe om in de keuken zijn eten te gaan regelen loopt hij in zijn haast tegen de deurpost aan. Hij is blind. Dat is daar in dat huisje waar hij alles weet nog geen groot probleem. Maar ik begrijp waarom hij niet meer door het slaapkamerraam springt: hij kan niet meer zien of het open staat of niet.
1991 – Moet ik weg uit mijn huisje en verhuizen we naar een rijtjeswoning in Ede. Ik besluit dat ik dat een oude en blinde kat niet aan kan doen, ik laat hem inslapen. Samen met Tas, 1½ jaar oud fietsen we naar de dierenarts in Barneveld. Ik leg de situatie uit. De dierenarts controleert de ogen van Gijsbrecht en hij bevestigd mijn conclusie: hij is blind. Leeftijd is waarschijnlijk een jaar of 15, dierenarts staat achter mijn beslissing om hem niet meer mee te laten verhuizen naar een nieuwbouwbuurt. Gijsbrecht krijgt een prik om te gaan slapen. In de wachtkamer wachten we tot hij echt slaapt en gaan we terug naar de behandelkamer. De dierenarts probeert hem direct in zijn hart te prikken maar hij heeft drie prikken nodig voor zijn hart het opgeeft. Stiekem ben ik trots op Gijsbrecht dat hij het niet zomaar opgeeft. Zonder de verhuizing had ik het nooit gedaan.

Tas staat erbij en reageert nuchter:

“Poesje slaapt, poesje dood?” Voor hem is het geen groot drama. Wel voor Jos, 4 jaar oud die die ochtend naar school was en ik moest vertellen dat Gijsbrecht niet meer thuiskwam. 

 

+ + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + +

Nu zijn we huisdierloos. Eigenlijk heb mezelf voorgenomen om er niet meer aan te beginnen. Maar ALS we ooit van gedachten veranderen dan ga ik weer naar het asiel om daar een lieve theemuts uit te zoeken. Van een (altijd lief) jong katje moet je maar afwachten hoe het karakter ontwikkeld en loop je de kans dat het een hooghartig en assertief exemplaar wordt die niet op aandacht gesteld is. De katten in het asiel zijn meestal gesteriliseerd cq gecastreerd, zindelijk en doen zich niet liever voor dan ze zijn. 

De geboorte van Jarno, een Fjordenveulen.

 

 

scan0005

Foto: Eef van Otterlo V.l.n.r. Henny, Quarai, Zodielia en Reisgenoot P.

Beide paarden moeten in het houtslepers bedrijf van P. en compagnon Henny hard werken. Hieronder zijn ze hard aan het werk aan een klus waar de bomen iets te zwaar bleken te zijn, per boom moeten er twee paarden ingespannen om de logge stukken hout naar het pad te slepen.Zelf zwanger en met erg dikke buik hou ik haar vast als de hengstenhouder langs komt. Het jaar erop krijgt ze een prachtig merrieveulen, Hananja. Een paar weken later krijgt ook Quarai een merrieveulen, Victal.

Wauw dat gaat beter dan met de geiten. Een geit was jarenlang moeilijk drachtig te krijgen,  een andere ontsnapte en liet zich dekken door foute bok. Geitjes/bokjes verhouding is ver in het voordeel van de bokjes, 80% schat ik.
Ik bel de hengstenhouder om Zodielia weer te laten dekken. Dat gebeurd en ook het afslaan gaat goed.

Maarre voorjaar ’88 geen veulen! Zucht. Als het niet lukt krijg je ƒ100, – korting op het dekgeld van ƒ300, – en ik maak er gebruik van. Voorjaar ’89 is Zodielia duidelijk drachtig. Samen met onze andere fjord Berlinda werkt ze hard in het bos als houtsleperspaard en, zeer ongebruikelijk voor fjorden, er zit geen grammetje vet teveel op de dames. Goed is te zien dat Zodielia aan de rechterkant veel dikker is dan Berlinda.

Eind mei zal het veulen geboren worden. Meermalen per dag loop ik even naar ze toe om te kijken of alles goed is. Er lopen dan 3 paarden in de wei, Zodielia, Berlinda en Marva, een groot Belgisch trekpaard.
Op een avond zit ik een brief te schrijven. Opeens denk ik:

“Zodielia! Ben ik er vandaag al geweest? Nee nog niet”

Meteen doe ik mijn laarzen en jas aan en loop naar het weiland achter ons huisje. Feitelijk zijn dat twee grote lange stukken weiland naast elkaar. Met in het midden een sloot en halverwege die sloot een dammetje als doorgang. In tijden van overvloed kan die doorgang afgesloten zodat paarden en/of koeien maar in een weiland kunnen grazen, en het gras in het andere kan groeien.

Het is mistig en donker en ik heb geen idee waar ze lopen. Ik roep en er gebeurt niets. Systematisch loop ik het linker weiland helemaal rond. Geen paard te vinden. Ik loop de doorgang door naar het rechter weiland en loop linksom langs het schrikdraad weer rond. Tot ik achterin ben. Daar hoor ik (ik kan haar niet zien) dat Marva er snuivend heen en weer draaft. Ze is opgewonden maar waarom? Ik zoek verder en ga langs het laatste stuk schrikdraad terug richting de straatkant.

Als ik bijna bij het eind ben zie ik in de mist een lichte vlek opdoemen. Dichterbij splitst de vlek zich in twee fjordkleurige gestaltes, nog dichterbij zie ik Zodielia en Berlinda zusterlijk en kalm naast elkaar staan, nog dichterbij zie een klein fjordkleurig vlekje in het weiland liggen.
Het veulentje is nog maar net geboren en wankel staat de kleine op. Op de tast kom ik erachter dat het een hengstje is. 1989 is het jaar van de J, ik noem hem Jarno.

Arme Marva wilde er dolgraag bijhoren maar ze is gloednieuw in de groep en de fjordendames tolereren haar niet. Ook al is ze in omvang en gewicht bijna twee keer groter, ze laat zich wegjagen. Ongeveer drie maanden lang is Zodielia zeer beschermend/bezitterig naar haar veulen toe. Van de ene op de andere dag is dat afgelopen en laat ze hem los en is Jarno veel te zien bij Marva die hem helemaal geweldig vind en ook veel meer tolereert. Jarno bijt de dames in zijn speelse hengstengedrag en de fjordendames zijn daar heel snel klaar mee.scan0004
Marva, Jarno, Berlinda en Zodielia. Aan deze kant van het schrikdraad Jos(3)

Van Lunteren naar Maastricht en weer terug

metdetreinA(Ik ben het meisje rechts met het rood geruite rokje, het meisje links is
mijn zus. We zitten in de stoptrein van ’t Harde naar Utrecht of andersom)

Ik ga graag met de trein. Natuurlijk gaat er wel eens iets mis.
In 1989 nam ik samen met mijn zonen van toen 3 en 1 de trein naar Maastricht. Ze gingen bij Oma&Opa logeren. De heenweg was heel moeilijk al kwam het niet door de NS. De intercity naar Maastricht stond keurig in Utrecht voor mij klaar en we kwamen volgens het rooster in Maastricht aan.
Tas, zoon nr. 2 toen 1 jaar oud heeft het hele stuk van Utrecht naar Maastricht gehuild. Hard, heel hard. Waarom, ik weet het nu nog steeds niet, ik heb van alles geprobeerd en niets hielp. Joris was minder lastig maar vond het nodig om op zijn buik met een autootje door de stoffige coupe heen te tijgeren.
Andere reizigers die eerder mochten uitstappen wensten me sterkte voor de rest van de reis. Met een huilend kind kwamen we aan bij Opa Oma en Tas bleef huilen tot het eten op tafel kwam. Macaroni met ham en kaas. Eindelijk verscheen er een glimlachje op zijn gezicht, hij viel aan op zijn eten en alles was weer goed.
De volgende dag ging ik alleen weer terug naar Lunteren. Ik had een goed boek bij me voor de lange treinreis. Wachtend op het perron in Maastricht ging het gelijk al mis: mijn trein kwam 20 minuten later dan gepland. Geen probleem, ik was alleen, ik had de hele dag en een goed boek. Ik stapte in en zwaaide naar mijn zonen. Tot volgende week.

De vertraging onderweg werd steeds groter. Ik zat daar dus niet mee, niemand die in Lunteren op mij wachtte. Ik zat lekker te lezen. Vlak bij zat een gezelschap mensen in rolstoel. Zij moesten ergens op tijd zijn en maakte zich zorgen over hun aansluiting in Amsterdam; zouden ze het halen?
Ik probeerde verder te lezen. Bij Eindhoven moesten we uitstappen. Uitstappen? Het was de trein van Maastricht naar Amsterdam, hoe kon dat? De conductrice stond er verbijsterd bij.

“Deze trein is opgeheven”
“Opgeheven? Hoe kan dat?” klonk het overal.
“Ja ik weet ook niets meer,” zei de conductrice onzeker,
“ik kreeg net een telefoontje dat deze trein opgeheven wordt, ik zei nog geintje zeker, maar nee het is echt waar! We worden ingehaald door de volgende intercity en deze moet eruit”

We konden op de volgende trein wachten. Zelf had ik er geen problemen mee. Mijn boek was spannend en op het perron las ik gewoon verder. Het was zomervakantie, ik zat daar prima.
Voor het rolstoelgezelschap was ‘even overstappen’ heel vervelend. Ook vervelend voor de vakantiegangers die een fiets bij zich hadden. De mensen in rolstoelen kregen voorrang en de fietsen konden er in de volgende trein niet meer bij. Zij moesten op de daaropvolgende trein wachten.

Mijn ouders wonen in Wezep. Op de lijn Amersfoort – Zwolle het laatste station voor Zwolle.
Vanuit Ede gingen we een middag je naar mijn ouders. Zomaar geloof ik. ’t Harde waren we net gepasseerd en ik wachtte tot we uit konden stappen. Dromerig keek ik naar buiten. Ik zag bekende stukken van mijn ouderlijk dorp. Hee daar staat het huis van de moeder van J……
“>HET HUIS VAN DE MOEDER VAN J.! Maar dan zijn we te ver! Ik was zo verbijsterd dat ik even niet uit mijn woorden kon komen. Zoef en we gingen we langs Hattemerbroek. De trein was Wezep kats voorbij gereden. Dat had ik nog nooit meegemaakt! Op dat moment kwam er geluid uit de intercom.

“Helaas zijn we in WEESP niet gestopt. Onze excuses voor deze vergissing. Deze trein gaat door naar Zwolle. Reizigers die naar WEESP willen kunnen gewoon blijven zitten, deze trein zal na 10 minuten wachten weer terug gaan in de richting van Amersfoort en in WEESP stoppen.”

De jongen voor me vond het een goede mop. Hij moest naar Zwolle dus hem maakte het niet veel uit. Ik was helemaal met stomheid geslagen. En ik wist dat de trein daar in Zwolle zeker 20 à 25 minuten zou wachten voor hij weer naar Amersfoort zou rijden. En dat wij een vertraging van minimaal 30 minuten hadden.

Wachtend in Zwolle lieten conducteur en machinist zich niet zien. Geduldig hebben wij onze tijd uit gezeten en ging de trein naar Wezep. Hij stopte – voor het eerst zag ik dat niet als vanzelfsprekend – en wij stapten uit. Op het perron liepen de twee conductrices. Ik kon het niet laten, stapte op ze af en bedankte ze overdreven voor het feit dat we deze keer WEL uit mochten stappen.
Niet begrijpend keken ze me aan. Ik vertelde wat er gebeurd was…. Zij wisten van niets. Bij het wisselen van de wacht voor deze trein had de vorige conducteur niet de moeite genomen om te vertellen wat er mis gegaan was.

Andersom kan het natuurlijk ook. Toen ik zelf nog in Wezep woonde stond ik een keer te wachten op de stoptrein naar Utrecht. Ik volgde een opleiding in Putten. Naast me stond een vriendin, Janneke te wachten op dezelfde trein, zij moest naar Utrecht.
Terwijl we stonden te wachten naderde de sneltrein naar Utrecht. Ipv van keihard voorbij te razen stopte hij en de deuren gingen open! Hanneke keek even verbaasd, toen verontschuldigend naar mij en daarna stapte snel in! Mij eenzaam achterlatend, zucht.

Er staat een paard in het bos

Het moet in ‘87 geweest zijn. Ik woonde samen met Paul en ons zoontje Joris van één in het het buitengebied tussen Lunteren, Barneveld en Wekerom. Officieel was het Lunteren, gemeente Ede. Voor de telefoon hoorden we bij Barneveld. Buurman Boer Kattenbroek aan de overkant hoorde bij Wekerom en als we Job de huisbaas aan het eind van de straat belden moesten we eerst het netnummer van Lunteren draaien. Paul werkte als houtsleper in het bos. Hij sleepte met Zodielia en Berlinda onze Fjorden de omgezaagde bomen naar de rand van het perceel. De andere bomen in het perceel die bleven staan en maakten het onmogelijk om met een tractor of anderszins deze klus te klaren. Paul nam vaak zo’n klus aan om die met Zodielia en Berlinda in het bos naar de rand van het pad te slepen. Vanaf daar konden de boomstammen worden opgehaald voor de papierfabriek.

“Hij had een flinke klus in de buurt van Apeldoorn. De bomen waren niet te zwaar, hij kon het met één paard tegelijk aan. Toch nam hij ze allebei mee zodat ze afgewisseld konden worden.
Ik was thuis met onze kleine Joris, Max de hond, de geiten en het huishouden. Geen wasmachine, geen auto (en ook geen rijbewijs) om snel meer naar het dorp te rijden. Een houtkachel, een moestuin, ik had mijn handen vol.

Op een dag kwam er politie het pad op gereden. Twee agenten stapten uit en keken eens rond voor ze binnen kwamen en hun vraag stelden:

“Of wij een Volvo hadden kenteken zus emme zo? En een trailer en een klein paard?”

“Ja” antwoordde ik.

Ze hadden een melding uit Apeldoorn dat er in het bos al dagen lang een trailer stond met een vastgebonden paardje er bij. Met hooi en water? Toch was toch vreemd, want het stond het maar zonder dat er iemand bij was.
Ik begreep het meteen. Paul was inmiddels zover met zijn klus dat hij buiten gezichtsafstand aan het werk was. Ik verteld hoe het zat en dat Paul, Berlinda en Zodielia elke avond thuis kwamen. Dat hij de beide paardjes afwisselden omdat het voor hen zwaar werk was en dat ze dus om beurten stonden uit te rusten.

Toen begrepen ze de vreemde opmerking die politie Apeldoorn aan de melding toegevoegd had.

“Het paardje staat erbij alsof het de normaalste zaak van de wereld is!”

scan0002

Noga

Almond_NougatJarenlang woonde ik in Lunteren. Ik was daar samen met Ivon, een vriendin uit Barneveld per ongeluk terecht gekomen. We waren allebei in onmin met de huisbaas en gingen samen op zoek naar andere woonruimte.
Een adres was een boerderij buiten het dorp. De complete beneden verdieping stond leeg, 3 kamers en een keuken zodat Mandy, een 3e vriendin die ook op zoek was met ons mee kon.

Een paar jaar hebben we daar gewoond. Lees verder

Zwart Wit

 

 scan0008bscan0009bGeïnspireerd door het zwart/wit effect in de foto’s van de vogels van Ramirezi

ga ik terug naar mijn fotoalbums. Toen mijn oudste zoon 2½ jaar was had hij halflang blond haar met een slag erin. Ik vond het prachtig en kon het niet opbrengen om hem te laten kortwieken zoals goede moeders van zonen dat in die tijd hoorde te doen. Hoeveel commentaar ik niet gehad heb over de lange haren van mijn zoons, ik was iedere keer weer stomverbaasd. Alsof de jaren zestig uit ieders geheugen gewist was.

Afijn, lang haar dat moet minimaal 2x per dag goed gekamd om klitten te voorkomen. Jos vond het vreselijk! Op een dag tijdens het haren kammen zei ik tegen hem dat als hij tegenwerkte zijn haar afgeknipt zou worden. Ik rekende erop dat hij dan zijn verzet zou staken. In plaats daarvan zei hij:
“Wanneer gaan we het afknippen? Ik wil mijn haar afgeknipt!”
Zucht. Wat jammer maar hij wou het zelf dus wij gingen naar de kapper. De kapster vond het ook jammer, hoorde dat Jos het zelf echt graag wilde en knipte alles eraf. Net geen stekelkoppie had ik gezegd. Jos zat stil in de kapperstoel en keek geïnteresseerd toe hoe hij helemaal gekortwiekt werd. Hij was er blij mee en dat maakte het voor mij weer goed. Thuis gekomen heb ik meteen een paar foto’s gemaakt. Dit was het jaar 1988, met een analoge camera dus. Het resultaat kreeg ik pas een paar weken later.
Vaak als ik mijn foto’s op ging halen wist ik niet precies meer wat ik ook al weer gefotografeerd had. Ik nam altijd rolletjes van minimaal 36 opnames.
Tot mijn grote verrassing had ik ook een foto van Jos gemaakt de dag voor we naar de kapper gingen. Heel toevallig had ik hem met zijn blonde haren voor een donkere achtergrond gezet en met zijn korte donkere haren voor een lichte achtergrond.

Jos ging toen naar een peuterspeelzaal in Barneveld. Een week of drie later vroeg een v/d andere kinderen waarom Jos niet meer kwam? Hij wilde met Jos spelen. De juffen hebben geprobeerd uit te leggen dat Jos met de korte haren dezelfde Jos was als die met de blonde krullen. Tevergeefs!